De Briefwisseling

28 mei 2009

Op 6 maart verstuurde comité ROUW haar eerste brief aan minister Plasterk, waarin de negatieve gevolgen van de Plasterkoverheveling voor het universitair onderwijs aan de kaak werden gesteld. Op 17 april ontvingen we een teleurstellende respons van de minister. Er stond niets nieuws in de brief en al onze argumenten werden hardnekkig genegeerd. Terloops werd er door de minister opgemerkt dat “reorganisaties zo af en toe optreden” en dat dit aan het bestuur van de universiteiten zelf ligt. Natuurlijk nemen we geen genoegen met dit antwoord en we hebben dan ook een tweede brief naar de minister verstuurd. Alle brieven zijn hieronder te lezen.

13 mei - Onze reactie op Plasterk

Geachte heer Plasterk,

Allereerst willen wij u hartelijk bedanken voor uw reactie op onze brief van 6 maart jl. Echter, hoewel wij het op een aantal punten met u eens zijn, zijn wij nog steeds van mening dat de onderwijskwaliteit daalt als gevolg van de overheveling. Uw brief heeft onze zorgen hierover niet kunnen wegnemen. Hieronder zullen wij onze argumentatie uiteenzetten.

In uw brief antwoordt u onder andere dat de overheveling “de totale geldpot van de universiteiten” niet verkleint. Eveneens stelt u dat er geen onzekerheden hoeven te bestaan over de fondsen betrokken bij de overheveling, aangezien het bedrag dat ermee gemoeid is (€ 100 miljoen) volledig via NWO beschikbaar blijft. Hiermee gaat u echter voorbij aan onze voornaamste bezwaren, namelijk dat de overheveling gepaard gaat met een verandering in de wijze waarop dit geld kan worden ingezet, en waaraan het uiteindelijk wordt besteed.

Zoals u zelf in uw brief schrijft is de achterliggende gedachte van de overheveling een innovatie-impuls, waarbij de focus vooral ligt op jonge wetenschappers. Deze wetenschappers worden vooral aangesteld als Ph.D of postdoc. Voor beide aanstellingen geldt een looptijd van slechts enkele jaren. De overheveling stelt universiteiten dus vooral in staat om jonge wetenschappers voor een korte periode aan te nemen, wanneer de kwaliteit (excellentie) van hun onderzoek dit verdient.

Daarentegen zien veel instellingen zich nu gedwongen om het in de 1e geldstroom ontstane tekort op te vangen door het aantal vaste aanstellingen dat zij hebben te verminderen. Deze aanstellingen bestaan voornamelijk uit UD’s en UHD’s. Omdat deze functies over het algemeen niet vanuit de 2e geldstroom bekostigd kunnen worden, is het niet mogelijk dit verlies via financiering van de NWO op te vangen. U(H)D’s maken dus plaats voor postdocs en promovendi.

De onvoorziene consequentie voor het onderwijs bestaat is nu dat er ondanks dat er evenveel geld beschikbaar is, hiervan een kleiner deel aan onderwijs wordt besteed. De meest voor de hand liggende reden hiervoor is het verschil in onderwijsbelasting tussen de verschillende functies. Waar een UD of UHD in principe 40% van zijn/haar taak aan onderwijs besteedt, is dit voor Ph.D’s en postdocs 10 respectievelijk 0%. Zelfs als het aantal personeelsleden gelijk zou blijven, betekent dit toch dat er op zijn minst minder fte’s voor onderwijs geoormerkt zijn.

Daarnaast worden Ph.D’s niet op dezelfde wijze in het onderwijs ingezet als universitair docenten. Waar de laatsten meestal een geheel vak of college verzorgen, beperkt de onderwijstaak van de eersten zich voornamelijk tot het verzorgen van werkcolleges of begeleiding geven bij practica. Hiermee zijn Ph.D’s dus geen vervanging voor de verdwenen universitair docenten. Dit probleem wordt met name schrijnend wanneer faculteiten zich genoodzaakt zien uit financiële overwegingen bepaalde vakgroepen af te stoten. Het kan dan vervolgens voorkomen dat bepaalde colleges niet langer optimaal kunnen worden aangeboden, omdat de benodigde expertise niet langer in huis is. Op sommige faculteiten is dit momenteel helaas al het geval.

Een laatste probleem wat wij voorzien ligt in de ervaring. Hoewel wij zeker niet willen stellen dat Ph.D’s per definitie onderwijs van mindere kwaliteit verzorgen, erkennen wij toch de toegevoegde waarde van een grote hoeveelheid praktijkervaring. Juist dit stelt docent-onderzoekers in staat hun onderzoek aan het onderwijs te koppelen en voor de studenten intrigerende kruisverbanden te leggen. Waar universitair docenten deze ervaring reeds in ruime mate bezitten, moet een jonge onderzoeker deze juist nog opdoen. Ook hier tekent zich voor studenten dus een verschraling van hun onderwijs af.

Uiteindelijk kan nog worden opgemerkt dat alle hierboven geschetste scenario’s erop gebaseerd zijn dat een willekeurige instelling evenveel geld in via NWO terugverdient als zij nu in de 1e geldstroom is verloren. Het behoeft volgens ons geen verdere uitleg dat de situatie voor een universiteit die dit niet gedaan krijgt nog veel schrijnender is. Hoewel de kwaliteit van onderwijs en onderzoek lang niet altijd direct gekoppeld is, lijdt de onderwijskwaliteit nu direct onder de problemen van het onderzoek.

Hoewel het totale budget voor alle Nederlandse universiteiten dus inderdaad niet kleiner wordt, vrezen wij toch dat de overheveling wel degelijk een vermindering van de beschikbare gelden voor onderwijs tot gevolg heeft. Wanneer hier het verschil in karakter en inzet van wetenschappelijk personeel uit de 2e geldstroom vis-a-vis de 1e geldstroom bij wordt gevoegd, vrezen wij dat de overheveling uiteindelijk onbedoelde negatieve gevolgen heeft voor het onderwijs. Wij willen u bij deze dus nogmaals vragen om aandacht voor deze problematiek, en hopen dat u samen met ons naar een oplossing wil werken. Omdat wij het belang van een innovatie-impuls onderschrijven, denken wij dat het niet wijs is de overheveling terug te draaien. Wel willen wij u verzoeken om weer een extra € 100 miljoen via de 1e geldstroom beschikbaar te maken. Op deze manier kan er volgens ons geïnvesteerd worden in excellente jonge onderzoekers zonder dat het onderwijs hier financieel de dupe van wordt.

Wij hopen dat u ontvankelijk bent voor onze argumenten, en verblijven in afwachting
van uw reactie.

Hoogachtend,

Comité ROUW

17 april - het antwoord van de minister

Dank voor uw brief van 6 maart jl., waarin u uw zorgen uitspreekt over de
toekomst van het universitair onderwijs. Graag reageer ik op de door u naar
voren gebrachte punten.

U stelt dat de overheveling van € 100 mln naar de 2e geldstroom negatieve
gevolgen heeft voor het universitair onderwijs. U veronderstelt dat de instellingen
door de overheveling over minder financiële middelen kunnen beschikken omdat
die (2e geldstroom middelen) niet voor onderwijs kunnen worden ingezet. Ook
neemt u aan dat reorganisaties en bezuinigingen, als ook hrm-beleid, dat erop
gericht is om jonge onderzoekers onderwijs te laten geven, een direct gevolg zijn
van de overheveling. In deze brief zal ik aangeven waarom de overheveling is
uitgevoerd, waarna ik puntsgewijs inga op de door u naar voren gebrachte
aandachtspunten.

De overheveling van € 100 mln van 1e naar 2e geldstroom is een bewuste
beleidsmatige keuze. Deze is gemaakt vanuit de wens om persoonsgerichte
financiering en excellent onderzoek te stimuleren. Uitgangspunt is dat
onderzoeksmiddelen meer op basis van kwaliteit over de instellingen worden
verdeeld en minder op basis van gevestigde patronen, hetgeen innovatie en extra
kansen voor jonge onderzoekers ten goede komt. De 2e geldstroom (NWO) is
daarvoor een goed instrument omdat daarmee op basis van competitie het beste
onderzoek (via VernieuwingsImpuls de beste onderzoekers) bekostigd wordt. Dat
daarbij sprake is van reallocatie van middelen is juist de opzet geweest.

U spreekt van een bezuiniging. Daarvan is absoluut geen sprake; het gaat om een
overheveling. Dat betekent niet dat daardoor de ‘totale geldpot universiteiten’
kleiner wordt omdat overgehevelde middelen via de 2e geldstroom weer volledig
bij de universiteiten terugkomen. Bovendien hebben de universiteiten in de
afgelopen jaren van het kabinet extra financiële middelen gekregen, en wel in een
zodanig tempo dat de universiteiten op geen enkel moment erop achteruitgaan.

Daarnaast geeft u aan dat door de overheveling (financiële) onzekerheden
ontstaan. Dat is echter niet het geval aangezien het geld van de overheveling
structureel is. Mocht de VernieuwingsImpuls ooit stoppen dan vloeit de € 100 mln
terug in de 1e geldstroom. De overheveling betekent geen vermindering van de
bestaande universitaire middelen. De universiteiten kunnen daarover autonoom
beschikken, en voeren zelf hrm-beleid. Dat geldt ook voor beleid, dat zich richt op
het verzorgen van onderwijs door jonge onderzoekers. Reorganisaties en
bezuinigingen (die zo af en toe optreden) kunnen mijns inziens niet primair aan
de overheveling worden toegeschreven, en universitaire bestuurders doen er goed
aan die indruk ook niet te wekken.

Ik hoop dat ik u met deze informatie voldoende heb geïnformeerd. Ik wens u veel
succes toe met uw inspanningen om het universitair onderwijs verder te
verbeteren.

Met vriendelijke groet,

dr. Ronald H.A. Plasterk
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

6 maart - eerste brief aan de minister

Geachte heer Plasterk,

Toen u als minister van Onderwijs begon, voerde u de ‘de Plasterkoverheveling’ in. Hoewel deze maatregel een verbetering betekent voor het onderzoeksklimaat voor jonge onderzoekers in Nederland, heeft deze in de praktijk onvoorziene negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het universitair onderwijs.

Voor de ‘Plasterkoverheveling’ besloot u de eerste geldstroom met 100 miljoen euro te korten en dit geld aan de NWO toe te wijzen. Uw idee: kwaliteit moet voorop staan en jonge onderzoekers krijgen betere kansen binnen de wetenschappelijke wereld. Dat het een bezuiniging zou zijn ontkende u. De beste onderzoekers konden het geld via een subsidie weer terugkrijgen. De universiteiten verloren geen geld.

De werkelijkheid is complexer. De eerste geldstroom bestaat uit een deel voor onderzoek en een deel voor onderwijs. Deze scheiding is echter denkbeeldig: nadat het geld bij de universiteiten is aangekomen wordt deze geldstroom via verdeelmodellen tussen onderzoek en onderwijs verdeeld. Die modellen zijn gebaseerd op bestuurlijke ervaring. De realiteit is dat door de ‘onderzoekspot’ te verkleinen de totale geldpot van de universiteiten gewoonweg kleiner wordt. De NWO subsidies uit de tweede geldstroom kunnen deze korting niet opvangen, aangezien de tijdelijkheid ervan voor financiële onzekerheid zorgt. Daarnaast mag dit geld, in tegenstelling tot de eerste geldstroom, alleen gebruikt worden voor onderzoek. Dit geld is dus niet beschikbaar voor onderwijs.

De effecten van uw maatregel dwingen universiteiten tot bezuinigen en reorganisaties. Gedwongen ontslagen zijn nu dan ook aan de orde van de dag. Disciplines in de Bètawetenschappen zijn al zwaar getroffen. Andere disciplines volgen snel. Ter illustratie: de Technische Universiteit in Delft gaat binnenkort reorganiseren. De Universiteit Twente staat dit jaar op een tekort van 5,5 miljoen euro en de Universiteiten van Leiden en Utrecht schrappen al fors in hun opleidingen Biologie. Dit is slechts het topje van de ijsberg.

En door deze ontslagen gaat er voor ons studenten veel veranderen: minder docent‐onderzoekers, minder vakken om uit te kiezen, colleges in grotere groepen en minder persoonlijke begeleiding. En zoals u weet worden goede jonge onderzoekers niet geboren, maar opgeleid door ervaren docent‐onderzoekers! Zij geven ons de kennis mee waardoor we later goed in de maatschappij kunnen functioneren. In plaats daarvan krijgen we tijdelijke, jonge onderzoekers die dit moeten opvangen, die geen onderwijservaring hebben! De overgebleven ervaren docent‐onderzoekers zijn in de nieuwe situatie meer tijd kwijt aan het schrijven van NWO‐aanvragen. Zo wordt het onderwijs dubbel getroffen. We zijn niet tegen een gezond competitief onderzoeksklimaat, maar hebben er wel bezwaar tegen dat het schrijven van de aanvragen ten koste gaat van de tijd die een docent‐onderzoeker anders aan ons onderwijs kan besteden. De ‘Plasterkoverheveling’ is simpelweg een de facto bezuiniging op ons onderwijs. Als student hebben we recht op goed onderwijs, recht op begeleiding die ons een goede basis geeft om te kunnen functioneren in onze kennismaatschappij.

Daarnaast brengt een achteruitgang in het onderwijs op de lange termijn een achteruitgang in de kwaliteit van onderzoek met zich mee. U weet dat kennis noodzakelijk is voor een sterke Nederlandse economie die kan concurreren met andere landen. Dit blijkt overigens niet uit het feit dat Nederland momenteel veel minder geld stopt in onderzoek dan volgens de EU zou moeten. Het lijkt erop dat u dit probeert op te lossen door te schuiven met geld. De VS daarentegen investeren wel in onderwijs, ondanks de economische crisis. Het is ook tijd dat Nederland weer gaat investeren in universitair onderwijs, aangezien er in de laatste aantal jaren steeds minder geld per student is uitgegeven.

Wij hadden het zeer op prijs gesteld als u in staat was geweest om de 1e geldstroom intact te laten en op een andere manier in onderzoek had geïnvesteerd. Ons onderwijs was dan niet in gevaar gebracht. Graag horen we van u welke oplossingen u hebt om de kwaliteit van het huidige onderwijs te handhaven, zo niet te verbeteren. Uiteraard zijn we bereid om hierover mee te denken.

We hopen dat u, Minister van Alle Studenten van Nederland, hier spoedig op wilt reageren.

Met vriendelijke groeten,

Comité ‘Redt Ons Universitair onderWijs’

Ondersteund door 44 studieverenigingen